Ze hadden een kanariepietje, onze buren aan de Havendijk in Schiedam. Ze noemden hem Zielepietje. Het waren treurige mensen. De buurman wandelde elke dag naar de Maasboulevard en stond altijd even stil bij het Schreihuisje*. Het was dan net of hij even stilstond om weer verder te kunnen.

In het weekend kwam ik de buurman wel eens tegen, soms maakten we een praatje. De buurvrouw zag ik alleen als de ambulance weer eens voorreed. Ze lag dan altijd op een brancard met haar hoofd afgedraaid. Zodoende wist ik niet hoe ze eruitzag. Ik wist alleen dat ze grijs piekhaar had. Ze werd minstens één keer per maand afgevoerd per ambulance, maar kennelijk lukte het de dokters steeds weer om haar op te lappen, want ze bleef maar thuiskomen. Gelukkig maar, voor de buurman, dacht ik dan. Hij was al zo treurig.

Dat ze een kanariepietje hadden, had de buurman me op een miezerige zondagmiddag eens verteld. Het beestje had op een dag op zijn balkon gezeten. “Je had er geen stuiver voor gegeven”, zei hij. “Hoe het daar gekomen was? Geen idee. Maar ik kon het arme beestje toch niet zomaar laten verpieteren?”, zei de buurman, die wel treurig, maar niet harteloos was. Meer dood dan levend was het pietje geweest. Het bleek ook een teen te missen. Geen wonder dat ze hem Zielepietje hadden genoemd.

Zielepietje

De buurman had Zielepietje in een oud kooitje gestopt dat nog ergens in de kelder had gestaan. Met wat in melk geweekte havervlokken en stukjes appel had hij weer wat leven in het beestje weten te krijgen. De buurman zei: “Ik had gehoopt dat mijn vrouw er ook wat plezier aan zou beleven. Ze komt nooit buiten, weet je, en van zo’n beestje heb je toch een beetje aanspraak. Maar ze wilde er vanaf dag één al niets van weten.”

Een paar dagen nadat ik mijn buurman had gesproken over Zielepietje, reed de ambulance weer voor. Ik schrok ervan, omdat ik niet naar het grijze piekhaar van mijn buurvrouw keek, maar het kale hoofd van mijn buurman op de brancard zag liggen.

Een kleine week nadat ik de buurman met de ambulance afgevoerd had zien worden, zag ik de buurvrouw naar buiten komen. Lopend, in plaats van op haar welbekende horizontale wijze, op haar pantoffels en met haar haar zoals ik dat van haar gewend was. In haar rechterhand hield ze een sleutelbos en in haar linkerhand droeg ze een roestig oud kooitje dat van Zielepietje geweest moest zijn. Ze liep tot aan de vuilcontainer aan de overkant van de straat. Daar zette ze het ding neer en keerde om.

Mijn buurman heb ik nooit meer gezien. De buurvrouw zag ik zo af en toe nog, tussen haar ziekenhuisopnames door. Haar piekhaar was ze nog niet kwijt, net zoals haar broze gezondheid, maar op een dag zag ik haar thuiskomen met een fonkelnieuw kooitje.

*Het Schreihuisje (of Schreiershuisje) is een wachthuis uit 1930. Het gebouwtje gaf werklieden, die op de boot wachtten om naar hun werk te gaan, beschutting tegen regen en wind. Eerder zwaaiden de vissersvrouwen op deze plek huilend hun mannen en zonen uit. Wekenlang zouden zij hun geliefden op zee niet zien.

Tekening ‘Zielepietje’ door Nynke Borst (Noordnoordwest op Instagram